Seat Leon: Airconditioning - Bedienen - Seat Leon - InstructieboekjeSeat Leon: Airconditioning

Verwarming, ventilatie en koeling

Inleiding

De informatie van de Climatronic weergeven

Op het scherm van de regeleenheid van de Climatronic en het scherm van het af fabriek geïntegreerde Easy Connect-systeem worden de theoretische waarden voor de temperatuurbereiken getoond.

In het Easy Connect-systeem kan de meeteenheid voor de temperatuur worden omgezet.

Stof- en pollenfilter

Het stof- en pollenfilter met actief koolpatroon verlaagt de verontreiniging van de lucht die het interieur binnenstroomt.

Het stof- en pollenfilter moet regelmatig worden vervangen om te voorkomen dat de werking van de airconditioning negatief wordt beïnvloed.

Indien het rendement van het filter reeds eerder vermindert omdat de wagen in een sterk verontreinigde omgeving gebruikt wordt, moet het filter vervangen worden zonder het verstrijken van het voorziene interval af te wachten.

ATTENTIE

Als het zicht door alle ruiten van de wagen niet goed is, neemt het risico op ongevallen met ernstige gevolgen toe.

  •  Zorg ervoor dat alle ruiten ijs- en sneeuwvrij zijn, en dat ze niet beslagen zijn om goed te kunnen kijken wat er buiten de wagen allemaal gebeurt.
  •  Het maximale verwarmingsvermogen en de zo snel mogelijke ontwaseming van de ruiten worden verkregen wanneer de motor zijn normale werkingstemperatuur bereikt. Ga alleen rijden als het zicht goed is.
  •  Zorg er altijd voor dat u het verwarmingsen ventilatiesysteem, de airconditioning en de achterruitverwarming gebruikt om goed te kunnen zien wat er buiten de wagen allemaal gebeurt.
  •  Laat de luchtcirculatie nooit gedurende een lange periode aan. Wanneer het koelsysteem niet werkt en de circulatiefunctie aan staat, kunnen de ruiten snel beslaan en kan het zicht zo aanzienlijk beperkt worden.
  •  Schakel de circulatiefunctie uit wanneer u deze niet nodig heeft.

 

ATTENTIE

Gebruikte lucht verhoogt de vermoeidheid en leidt tot concentratieverlies van de bestuurder.

Dit kan een ernstig ongeval tot gevolg hebben.

  •  Schakel de ventilator nooit gedurende langere tijd uit en gebruik de luchtcirculatiefunctie niet gedurende een lange tijd omdat de lucht in de wagen niet ververst wordt.

 

VOORZICHTIG

  • Als u vermoedt dat de airconditioning defect is, moet u deze onmiddellijk uitzetten.

    Hierdoor wordt bijkomende schade voorkomen.

    Laat de wagen door een gespecialiseerde werkplaats nakijken.

  • Reparatiewerkzaamheden aan de airconditioning vereisen bijzondere vakkennis en speciaal gereedschap. Geadviseerd wordt om naar de werkplaats van een officiële SEAT dealer te gaan.

 

Let op

  • Als het koelsysteem uitgeschakeld is, wordt de lucht die van buiten wordt aangezogen, niet ontvochtigd. Om te voorkomen dat de ruiten beslaan, adviseert SEAT aan de koeling (compressor) ingeschakeld te laten. Voor het inschakelen toets indrukken. Het controlelampje in de toets moet gaan branden.
  • Het maximale verwarmingsvermogen en de zo snel mogelijke ontwaseming van de ruiten worden verkregen wanneer de motor zijn normale werkingstemperatuur bereikt.
  • De luchtinlaat voor de voorruit moet vrij van ijs, sneeuw of bladeren zijn, opdat verwarming en airconditioning optimaal kunnen functioneren en het beslaan van de ruiten wordt voorkomen.

Climatronic bedienen met het Easy Connect*-systeem

In het Easy Connect-systeem kunt u ook diverse instellingen doorvoeren voor de Climatronic.\

Menu Klimaatregeling openen

Op het aanraakscherm kunnen de huidige instellingen, zoals de temperatuur voor de bestuurders- en bijrijderszijde, de luchtverdeling en de snelheid van de ventilator worden gewijzigd.

Voor het in- of uitschakelen van een functie of om een submenu te kiezen, moet u op de betreffende functietoets drukken.

Functietoets: functie
OFF De Climatronic wordt uit- en ingeschakeld.
SYNC De temperaturen van de bestuurder en bijrijder synchroniseren.
SETUP Het submenu met de instellingen voor de airconditioning verschijnt. De volgende instellingen kunnen worden uitgevoerd:
Profiel airco: het ventilatorvermogen instellen in de stand AUTO. U kunt kiezen tussen zacht, gemiddeld en krachtig.
Automatische luchtcirculatie: de automatische luchtcirculatie in- en uitschakelen .
TERUG : het submenu sluiten.

Climatronic bedienen met het Easy Connect*-systeem

Airconditioning

Afb. 189 Scherm van het Easy Connect-systeem: menu Airconditioning.

In het Easy Connect-systeem kunt u ook diverse instellingen doorvoeren voor de Climatronic afb. 189.

Menu Klimaatregeling openen

Bovenaan op het scherm worden de actuele instellingen weergegeven, zoals de ingestelde temperatuur voor de bestuurderszijde en de temperatuur voor de bijrijderszijde. De temperaturen tot +22°C (+72°F) worden weergegeven als blauwe pijlen en temperaturen hoger dan +22°C (+72°F) als rode pijlen.

Voor het in- of uitschakelen van een functie of om een submenu te kiezen, moet u op de betreffende functietoets drukken.

Functietoets: functie
OFF De Climatronic wordt uitgeschakeld.
ON De Climatronic wordt ingeschakeld.
SYNC De temperaturen van de bestuurder en bijrijder synchroniseren.
SETUP Het submenu met de instellingen voor de airconditioning verschijnt. De volgende instellingen kunnen worden uitgevoerd:
Profiel airco: het ventilatorvermogen instellen in de stand AUTO. U kunt kiezen tussen zacht, gemiddeld en krachtig.
Automatische luchtcirculatie: de automatische luchtcirculatie in- en uitschakelen .
Automatische hulpverwarming: Het automatisch inschakelen van de extra verwarming voor koude landen activeren en deactiveren (enkel motoren met extra verwarming). Met gedeactiveerde optie kan de verwarming, afhankelijk van de buitentemperatuur, er langer over doen dan normaal om de comforttemperatuur te bereiken.
TERUG e: het submenu sluiten.

Instructies voor het gebruik van de airconditioning

Het koelsysteem van het interieur werkt alleen wanneer de motor draait en de ventilator aan staat.

Voor een optimale werking van de airconditioning moeten de ruiten en het panoramaschuifdak gesloten blijven. Wanneer echter het interieur bij een stilstaande wagen door binnenvallende zonnestralen sterk is verwarmd, kan het afkoelen worden versneld door de ruiten en het panoramaschuifdak even te openen.

Climatronic: meeteenheid van de temperatuur op het display van de radio of het navigatiesysteem, al naar gelang af fabriek is gemonteerd, omschakelen

Het omzetten van de temperatuurindicatie van Celsius naar Fahrenheit op het display van de radio resp. het navigatiesysteem is mogelijk via het menu op het instrumentenpaneel .

Het koelsysteem kan niet worden ingeschakeld

Als het koelsysteem niet kan worden ingeschakeld, kan dit de volgende oorzaken hebben:

Bijzonderheden

Wanneer de luchtvochtigheid en de buitentemperatuur hoog zijn, kan condenswater door de verdamper van het koelsysteem druppelen en een plas vormen onder de wagen.

Dit is normaal en geen teken van lekkage!

Let op Na het starten van de motor kan het resterende vocht dat zich in de airconditioning opgehoopt heeft, de voorruit bewasemen. Zet de ontwasemingsfunctie aan om de voorruit zo snel mogelijk schoon te maken.

Luchtroosters

Airconditioning

Afb. 190 in het dashboard: luchtroosters.

Luchtroosters

Voor een correcte verwarming, koeling en ventilatie in het interieur van de wagen moeten de luchtroosters afb. 190 1 continu geopend zijn.

Er zijn ook luchtroosters die niet versteld kunnen worden; deze zijn te vinden in het dashboard 2 , in de beenruimte en achterin de wagen.

Let op Plaats nooit voedingsmiddelen, medicijnen of andere voorwerpen die gevoelig zijn voor temperaturen voor de luchtroosters, ze kunnen beschadigd of onbruikbaar raken als gevolg van de lucht die uit de luchtroosters stroomt.

Luchtrecirculatiestand

Basisbegrippen

Luchtrecirculatie
Handmatig ingestelde circulatie

In de circulatiefunctie wordt vermeden dat buitenlucht terechtkomt in het interieur.

Bij zeer hoge buitentemperaturen moet de handmatige instelling van de circulatiefunctie kort geselecteerd worden om het interieur sneller af te koelen.

Uit veiligheidsoverwegingen wordt de luchtrecirculatie uitgeschakeld zodra op knop wordt gedrukt of de luchtverdeelknop op wordt gezet.

Handmatige circulatiefunctie in- en uitschakelen

Inschakelen: druk op de knop tot het controlelampje gaat branden.

Uitschakelen: druk op de knop tot het controlelampje uitgaat.

Werking van de automatische circulatiefunctie (menu van de klimaatregeling)

Als de automatische circulatiefunctie is geactiveerd, wordt verse lucht toegelaten tot het interieur van de wagen. Wanneer het systeem een verhoogde concentratie aan schadelijke stoffen in de buitenlucht vaststelt, wordt de circulatiefunctie automatisch ingeschakeld.

Wanneer het verontreinigingsniveau opnieuw een normaal peil bereikt, wordt de circulatiefunctie uitgeschakeld.

Het systeem is niet in staat om onaangename geuren op te sporen.

De circulatiefunctie wordt niet automatisch ingeschakeld in uitvoeringen zonder vochtsensor en in geval van de volgende buitenomstandigheden:

Het in- en uitschakelen van de automatische luchtrecirculatie is mogelijk in het menu van de klimaatregeling, onder Configuratie.

ATTENTIE

Veiligheidsaanwijzingen  in Inleiding op in acht nemen.

  •  Wanneer het koelsysteem niet werkt en de circulatiefunctie aanstaat, kunnen de ruiten snel aandampen en kan het zicht zo aanzienlijk beperkt worden.
  •  Schakel de circulatiefunctie uit wanneer u deze niet nodig heeft.

 

VOORZICHTIG In wagens met airconditioning wordt aanbevolen niet te roken wanneer de circulatiefunctie is ingeschakeld. De aangezogen rook kan neerslaan op de verdamper van het koelsysteem en op het actieve koolpatroon van het stof- en pollenfilter, wat leidt tot een permanente onaangename geur.

 

Let op Climatronic: wanneer de ruitenwisser werkt, wordt bij het achteruit schakelen de circulatiefunctie ingeschakeld om te vermijden dat de uitlaatgassen of onaangename geuren het interieur binnenkomen.

Dakdragersysteem

Inleiding tot thema Het dak van de wagen is ontworpen voor een optimale aerodynamica. Daarom kunnen op de watergoot van het dak geen dwarsdragers noch conventionele dakdragers meer worden gem ...

Rijden

...

Zie ook:

Skoda Octavia. Elektrische instelling
Afb. 80 Bedieningselementen van de stoel A. Zitting instellen 1 - In langsrichting verschuiven 2 - Kanteling wijzigen 3 - Hoogte wijzigen B. Rugleuning instellen 4 - Kanteling wij ...

Volvo V40. Menufuncties - instrumentenpaneel
Met de linker stuurhendel bedient u de menu’s die op het informatiedisplay van het instrumentenpaneel  verschijnen. Welke menu’s er verschijnen hangt af van de sleutelstand . Inform ...

Modellen: