Renault Megane: Hulp- en correctiesystemen tijdens het rijden - Rijden - Renault Megane - InstructieboekjeRenault Megane: Hulp- en correctiesystemen tijdens het rijden

Renault Megane / Renault Megane - Instructieboekje / Rijden / Hulp- en correctiesystemen tijdens het rijden

Op de volgende bladzijden zijn andere rijhulpsystemen beschreven.

Deze functies zijn extra hulpmiddelen in kritieke situaties waarbij het rijgedrag van de auto aangepast wordt.

Deze functies kunnen de taak van de bestuurder niet overnemen. De limieten van de auto blijven onveranderd; ga daarom dus niet harder rijden. Deze functies kunnen dus in geen geval de oplettendheid of de verantwoordelijkheid van de bestuurder overnemen - de bestuurder moet altijd alert zijn op plotselinge gebeurtenissen die zich tijdens het rijden kunnen voordoen.

ABS (antiblokkeersysteem van de wielen)

Bij krachtig remmen, voorkomt het ABS het blokkeren van de wielen, waardoor de remweg beheersbaar en de auto bestuurbaar blijft.

In deze situatie zijn uitwijkmanoeuvres tijdens het remmen mogelijk. Bovendien verbetert dit systeem de remweg, met name op een weg met weinig grip (natte weg, enz.).

U voelt het in werking komen van het systeem aan het trillen van het rempedaal. Het ABS kan echter nooit de natuurkundige eigenschappen van de grip tussen de banden en het wegdek verbeteren. Blijf altijd de gebruikelijke voorzichtigheid in acht houden (afstand bewaren, enz.).

Bij krachtig remmen kunt u het rempedaal diep ingedrukt houden. Het is niet nodig "pompend" te remmen. Het ABS regelt de kracht in het remsysteem.

Storingen:

Raadpleeg in beide gevallen een merkdealer.

Het waarschuwingslampje dwingt u, voor uw veiligheid, direct te stoppen zonder het verkeer in gevaar te brengen. Stop de motor en start deze niet opnieuw. Roep de hulp in van een merkdealer.

 

Het remsysteem werkt nog gedeeltelijk.

Maar het is gevaarlijk om krachtig te remmen. U moet direct stoppen zonder het overige verkeer in gevaar te brengen.

Roep de hulp in van een merkdealer.

Elektronisch stabiliteitsprogramma ESC met onderstuurcontrole en tractiecontrole

Elektronisch stabiliteitsprogramma ESC
Dit systeem helpt u de controle over de auto te behouden in kritieke rijsituaties (uitwijken voor een obstakel, verlies van grip op de weg in een bocht, enz.).

De werking van het systeem
Een opname-element in het stuurwiel registreert de richting waarin de bestuurder de auto wil laten rijden.

Andere opname-elementen in de auto registreren de werkelijke verplaatsingsrichting.

Het systeem vergelijkt de door de bestuurder gekozen richting met de werkelijke verplaatsingsrichting van de auto en corrigeert deze laatste door, indien nodig, de remmen van sommige wielen te laten werken en/of het motorvermogen aan te passen. Als het systeem is ingeschakeld, knippert het controlelampje op het instrumentenpaneel.

Onderstuurcontrole
Dit verbetert de werking van het ESC bij sterk onderstuur van de auto (als de voorwielen hun grip verliezen).

Tractiecontrole
Dit systeem helpt het slippen van de aangedreven wielen te beperken en de auto bij het wegrijden, accelereren of decelereren te controleren.

De werking van het systeem
Met behulp van opname-elementen bij de wielen, meet en vergelijkt het systeem constant de snelheid van de aangedreven wielen en remt het deze af als ze doorslippen.

Als een wiel neigt naar doorslippen, zorgt het systeem voor het afremmen van het betreffende wiel, totdat de snelheid van het wiel overeenkomt met de grip op de weg.

Het systeem reageert ook door het toerental van de motor aan te passen aan de hoeveelheid grip onder de wielen, onafhankelijk van de mate waarin het gaspedaal wordt ingedrukt

Bij een storing
Als het systeem een storing signaleert, verschijnt de boodschap "Controleer ESC" op het instrumentenpaneel, in combinatie met het oplichten van het controlelampjes en .

In dit geval zijn het ESC en de tractiecontrole uitgeschakeld. Doe beroep op een merkdealer.

Noodstopbekrachtiging

Dit systeem is een aanvulling op het ABS dat zorgt voor het verminderen van de remweg van de auto.

De werking van het systeem
Het systeem herkent wanneer een noodstop wordt uitgevoerd. In zo’n noodsituatie ontwikkelt de rembekrachtiging zijn maximale kracht en kan de regeling door het ABS in werking komen.

Het ABS-remsysteem blijft werken zolang het rempedaal ingedrukt is.

Oplichten van de alarmknipperlichten Afhankelijk van de auto, kunnen deze bij krachtig afremmen gaan branden.

Remanticipatie
Afhankelijk van de auto anticipeert het systeem, als u snel het gaspedaal loslaat, op het remmen om de remweg te verminderen.

Bijzondere gevallen
Tijdens het gebruik van de snelheidsregelaar:

Bij een storing
Als het systeem een storing signaleert, verschijnt de boodschap "Controleer remsysteem" op het instrumentenpaneel, in combinatie met het oplichten van het lampje .

Raadpleeg een merkdealer.

Actieve noodstop 

Actieve noodstop

Met behulp van de radar 1 bepaalt het systeem de afstand tot de voorligger en waarschuwt het de bestuurder bij risico op een frontale botsing. Het systeem kan de auto vanzelf afremmen om de schade bij een aanrijding te beperken.

NB: zorg ervoor dat de radar 1 niet bedekt is (vuil, modder, sneeuw...).

Actieve noodstop 

Werking
Tijdens het rijden met een snelheid tussen 30 en 140 km/u of 150 km/u, afhankelijk van de auto, als er een risico is op een botsing met uw voorligger, afhankelijk van de auto:

Als de bestuurder het rempedaal indrukt en het systeem nog altijd een risico op een botsing detecteert, wordt sterker afgeremd.

Als de bestuurder niet reageert op de waarschuwing en een botsing onvermijdelijk wordt, schakelt het systeem de remmen in.

Het systeem detecteert geen voertuigen die in dezelfde richting rijden. Het systeem kan dan ook geen motorrijders detecteren, aangezien hun verplaatsingsrichting moeilijk te bepalen is.

Actieve noodstop 

Inschakelen, uitschakelen van het systeem

Voor auto’s met een navigatiesysteem
Kies op het multimediascherm 3 het menu "Voertuig", "Hulp bij het rijden", "Precrashsysteem" en kies dan "ON" of "OFF".

Om direct naar het menu "Hulp bij het rijden" te gaan, drukt u op de toets 4 .

Actieve noodstop 

Voor auto’s zonder navigatiesysteem

Druk opnieuw op de schakelaar 5 OK om de functie te activeren of te deactiveren:

functie ingeschakeld

functie uitgeschakeld

als het systeem wordt uitgeschakeld, gaat het waarschuwingslampje op het instrumentenpaneel branden.

Het systeem wordt opnieuw ingeschakeld telkens het contact wordt aangezet.

Omstandigheden waarin het systeem niet werkt
Het systeem wordt mogelijk niet ingeschakeld:

Bij een storing
Als het systeem een storing signaleert, gaat het controlelampje branden, met de melding "Actieve remmen uitgeschakeld".

Er zijn twee mogelijkheden:

Actieve noodstop

Deze functie is een extra hulp tijdens het rijden. Deze functie kan in geen geval de waakzaamheid en verantwoordelijkheid van de bestuurder vervangen; deze moet altijd de controle over zijn auto behouden.

Werkzaamheden/reparaties van het systeem

  • Bij een botsing kan de aliniëring van de radar worden gewijzigd, wat gevolgen kan hebben voor de correcte werking. Schakel de functie uit en neem contact op met een merkdealer.
  • Alle werkzaamheden in de buurt van de radar (reparaties, vervangingen, lak bijwerken) moeten worden uitgevoerd door een vakman.

Enkel een merkdealer mag aan het systeem werken.

Storingen van het systeem
Bepaalde omstandigheden kunnen het systeem storen of de correcte werking ervan verhinderen, zoals:

  • een complexe omgeving (metalen brug ...);
  • slechte weersomstandigheden (sneeuw, hagel, ijzel ...).

Risico op onterecht remmen.

Beperkingen voor de werking van het systeem

  • Het systeem reageert enkel op bewegende voertuigen of voertuigen die in beweging werden gedetecteerd.
  • Voor voertuigen die in tegengestelde richting rijden wordt geen waarschuwing afgegeven en treedt het systeem niet in werking.
  • De radarzone moet schoon blijven en mag niet worden gemanipuleerd, om de goede werking van het systeem te waarborgen.
  • Het systeem kan reageert minder efficiënt op kleine voertuigen, zoals motoren of fietsen, dan op andere voertuigen.

Uitschakelen van de functie

Schakel de functie uit in deze gevallen:

  • de knipperlichten niet werken;
  • de voorkant van de auto is beschadigd;
  • de auto wordt gesleept (bij pech).

Onderbreking van de functie
U kunt het actief remmen op elk moment onderbreken door kort het gaspedaal in te drukken of aan het stuur te draaien om uit te wijken.

Als u als bestuurder merkt dat het systeem zich merkwaardig gedraagt, raadpleeg dan een merkdealer.

Hulp bij wegrijden op een helling

Afhankelijk van de helling van de weg helpt dit systeem de bestuurder bij het wegrijden op een helling. Het voorkomt dat de auto achteruit rolt, door automatisch de remmen vast te zetten als de bestuurder het rempedaal loslaat om het gaspedaal te bedienen.

Werking van het systeem
Het werkt alleen als de versnellingshendel niet in de neutrale stand staat (niet in N of P voor een automatische transmissie) en als de auto geheel stil staat (rempedaal ingedrukt).

Het systeem houdt de auto ongeveer 2 secondes stil. Daarna komen de remmen vrij (de auto rijdt naargelang de helling).

Het systeem van de hulp bij het wegrijden op een helling kan niet in alle gevallen totaal verhinderen dat de achteruit rijdt (zeer steile helling, enz.).

De bestuurder kan altijd het rempedaal bedienen om het achteruitrijden van de auto te verhinderen.

De hulp bij het wegrijden op een helling mag niet gebruikt worden om de auto langdurig stil te houden: gebruik het rempedaal.

Deze functie is niet bedoeld om de auto permanent te laten stilstaan.

Gebruik indien nodig het rempedaal om de auto te stoppen.

De bestuurder moet bijzonder oplettend blijven op een gladde ondergrond of met weinig grip en/of op een helling.

Risico van ernstige verwondingen.

Achterwielbesturing 

Achterwielbesturing

Voor de auto’s die hiermee uitgerust zijn, maakt dit systeem het mogelijk, als de auto rijdt, de achterwielen te sturen afhankelijk van de rijomstandigheden: bij lage snelheid verbetert dit systeem de wendbaarheid, bij hoge snelheid de stabiliteit.

Bij het rijden met lage snelheid sturen de achterwielen tegengesteld aan de voorwielen (figuur A) om de wendbaarheid van de auto te verbeteren. Dit is handig in stadsverkeer, op een bochtige weg, bij het inparkeren, enz.

Achterwielbesturing 

Bij hogere snelheden sturen de achterwielen in dezelfde richting als de voorwielen (figuur B) om de stabiliteit van de auto te vergroten. Dit is handig bij het wisselen van rijstrook, bij het nemen van een bocht enz.

Opmerking: de configuratie van het systeem (wendbaarheid enzovoort) is afhankelijkheid van de gekozen modus in het menu "Multi-Sense" (raadpleeg de informatie over "Multi-Sense" in hoofdstuk 3).

Storingen

betekent dat u direct moet stoppen zonder het overige verkeer in gevaar te brengen.

Roep de hulp in van een merkdealer.

Bij een botsing tegen de onderkant van de auto (bijvoorbeeld: contact met een paaltje, een stoeprand of ander stadsmeubilair) kunt u de auto beschadigen (bijvoorbeeld: vervorming van een as).

Om ieder risico van een ongeluk te voorkomen, moet u uw auto door een merkdealer laten controleren.

Controlesysteem bandenspanning

  Als uw auto is uitgerust met dit systeem, bewaakt het de bandenspanningen. De werking van het systeem Elk wiel (behalve het reservewiel) beschikt over een drukzender in het ventiel, die ...

Waarschuwing bij verlaten van rijstrook

Deze functie waarschuwt de bestuurder bij onopzettelijke overschrijding van een doorgetrokken of onderbroken streep. Deze functie gebruikt een camera die zich achter de achteruitkijkspiegel op de ...

Zie ook:

Mercedes-Benz C-Klasse. Kortstondige instelling
- Activeren: De DIRECT SELECT-keuzehendel in de stand zetten. - Aan de stuurwielschakelpaddle of ...

Volvo V40. Cruisecontrol - snelheid regelen
U kunt een snelheid activeren, instellen en een opgeslagen snelheid wijzigen. Activeren en snelheid instellen Knoppenset op het stuurwiel en display in de auto zonder snelheidsbegrenzer ...

Modellen: